Submit to Facebook

Een oproep tot mediahygiëne in een tijd van de meningenhysterie.

Robin Brouwer

 

Onlangs startte journalist Jort Kelder met een nieuw radioprogramma: ‘Dr.Kelder & Co’. Dit programma heeft tot doel om de mediahysterie kritisch tegen het licht te houden. Vanwege een uitspraak die Kelder nota bene in de eerste uitzending deed, ontstond er – o ironie - meteen alweer een mediahype op twitter. Eerder in 2017 maakten we kennis met een nieuw mediafenomeen: ‘MeToo’. Aanvankelijk bedoelt als platform om ongewenste intimiteiten en seksueel geweld openbaar te maken, groeide dit al snel uit tot een mediaspektakel. Wat we zagen was dat er een populistisch mechanisme dit platform binnendrong – zoals de behoefte van mensen om MeToo aan te grijpen om anderen zonder proces aan de mediaschandpaal te nagelen. Hierdoor werd de ethische zuiverheid van het in het openbaar kenbaar maken van persoonlijke ervaringen aangetast.


Deze twee voorbeelden zijn slechts een kleine greep uit de wijze waarop de openbaarheid in onze tijd functioneert. Kennis, duiding en objectiviteit leggen het in veel gevallen af tegen een door subjectieve inzichten en emoties gedomineerd vertoog, waarbij feiten en verbeelding veelvuldig door elkaar heen lopen. Wij spreken waar dit de openbaarheid van meningen en het uitwisselen van subjectieve inzichten aangaat, van de ‘vrijheid van meningsuiting’ en vaak wordt dit in verband gebracht met de democratie. Maar, is dit wel terecht? Draagt de wijze waarop de huidige media functioneren eigenlijk wel bij aan democratie? Tijd voor een analyse.


Eind vorige eeuw maakten we de overgang mee van een liberale, op gemeenschap gerichte samenleving, naar een libertijnse hyper-individualistische werkelijkheid. Onze liberaal-sociale vrijheidsopvatting zoals we die kennen van de boegbeelden van de Nederlandse democratie (Thorbecke, Troelstra, Abraham Kuyper) was gestoeld op het principe dat individuele vrijheid gegarandeerd werd door burgers die hun eigen vrijheden begrensden vanwege hun respect voor de vrijheid van de ander. De wederkerigheid van het respecteren van elkaars vrijheid vormde de basis voor de democratische, gemeenschappelijk beleefde, vrijheid. De democratie (‘demos’: het volk, of de gemeenschap) was de fundering van deze vrijheidsopvatting die in de praktijk neerkwam op het onderling betonen van wederzijds respect. Zoals schrijver Arnon Grunberg een keer opmerkte in een column, bestond deze vrijheid uit het fatsoen dat burgers bereid waren spontaan aan de dag te leggen om elkaar te accepteren in hun onderlinge individualiteit.


Vrijheid was daardoor vanuit deze liberaal-sociale opvatting, niet een recht dat je ten overstaan van anderen claimt, maar een voorrecht. Een voorecht dat men elkaar gunt. De individuele beleving van vrijheid was daarmee niet verbonden aan het realiseren van afzonderlijke rechten, maar was feitelijk een product van wat de samenleving als gemeenschap tot stand bracht. Met de introductie van de libertijnse vrijheidsopvatting in de jaren negentig komt hier gaandeweg verandering in. Het libertijnse vrijheidsideaal, dat teruggaat op de denkbeelden van Marquis de Sade en dat we ook terugvinden bij neoliberale voorvechters zoals schrijfster Ayn Rand en beroemde economen, gaat uit van een totaal ander mens- en wereldbeeld. Zoals we weten van deze auteurs beschouwen zij de gemeenschap, de overheid en ‘het samen’ juist als een bedreiging voor de individuele vrijheid. De ander verschijnt vanuit het libertijnse perspectief niet als die respectvolle medeburger die bijdraagt aan de totstandkoming van mijn vrijheid, want wordt eerder gezien als een tegenstander die mijn vrijheid in de weg staat. Het libertijnse mens- en wereldbeeld zoals we dit kennen uit de politieke theorie en zoals dit in onze westerse samenleving verspreid werd, kenmerkt niet een democratische logica, maar wordt vooral gedreven door een anarchistische dynamiek gestoeld op het ‘eten of gegeten worden’: de vechtsamenleving.


Natuurlijk heeft deze verandering ook gevolgen hoe wij tegen kennis en informatie aankijken. Vanuit de traditionele democratische opvatting over kennis en informatie was het ontwikkelen daarvan gestoeld op het komen tot ‘objectiviteit door kennis’. Kennis had een individu-overstijgende waarde en stond ten dienste van het geheel: de samenleving. Wetenschappers, filosofen en journalisten waren gericht op waarheidsvinding – uitgaande van het idee dat waarheid (objectieve, voor iedereen geldige kennis) over samenleven en maatschappij haalbaar was. De opkomst van de libertijnse vrijheidsopvatting heeft hier in korte tijd een einde aan gemaakt. Vanaf de jaren negentig nemen we afscheid van ideologie of isme – tegelijk daarmee ook van het idee dat er een vorm van waarheid of objectieve geldigheid voorhanden is als het gaat over samenleven, menselijk gedrag en de inrichting van de maatschappij. We spreken tegenwoordig over de tijd van het relativisme en van de ‘meningencultuur’. Wie hedendaagse talkshows bekijkt herkent daarin een andere logica dan in soortgelijke programma’s van Sonja Barend of Adriaan van Dis van decennia geleden. Want, aan tafel bij Pauw of Mathijs van Nieuwkerk gaat het niet langer om waarheidsvinding, maar prevaleren de subjectieve inzichten of opinies. Trending topics, gebaseerd op persoonlijke gevoelens, stemmingen of denkbeelden, worden gepresenteerd als uitwisselbare consumptieproducten voor de kritische informatieconsument. Zoals de redacties van deze programma’s openlijk toegeven, gaat het niet langer om de burger op een bepaalde manier een zeker inzicht of visie mee te geven, maar om het bieden van een keur aan prikkelende meningen die kunnen bijdragen aan het vormen van nieuwe meningen. De opinies en persoonlijke sferen hebben het idee van waarheidsvinding en inhoud vervangen.


Naast deze ideologische verschuiving van waarheid (objectiviteit) naar meningen doet er zich de laatste decennia nog een ander fenomeen voor dat de kwaliteit van informatievoorziening aantast. Informatie (zoals nieuws) is een markt geworden. Dit betekent dat kijkcijfers en reclame-inkomsten leidend zijn. Zoals we nu weten is dit van invloed op de onafhankelijkheid en objectieve kwaliteit van de informatieproductie. Menig journalist ondervindt aan den lijve de gevolgen van dit proces: men moet steeds sneller met informatie komen, toegesneden op de commerciële belangen die hiermee gemoeid zijn. We hebben helaas niet door dat commerciële afhankelijkheid ook censuur kan veroorzaken.


Kijkt men naar de sociale media waar de burger zelf aan de knopen zit, dan zien we dat de subjectieve uitruil van meningen en sfeermomenten door hem automatisch wordt herhaald. Twitter en blogs gaan in de meeste gevallen niet over feiten of kennis, maar brengen een eigen werkelijkheid voort. Daarbij komt dat de berichten zo kort zijn dat nuance of verdieping niet mogelijk is, wat een afstompend effect veroorzaakt als het gaat om het hebben van kennis over de wereld waar wij in leven.


De grote hoeveelheid aan informatieprikkels is de laatste jaren dermate toegenomen dat men in de wereld van mediastudies al is gaan spreken van ‘mediaruis’- we zien in de meeste gevallen door de bomen het bos niet meer en bewegen van hype naar trend. Als we zien hoe de commerciële en institutionele mediaproductie letterlijk door een leger aan mediastrategen wordt geregisseerd en dat slechts een kleine groep journalisten deze informatiestroom moet toetsten, dan is duidelijk dat zij hun democratische functie allang niet meer kunnen vervullen. Men loopt in de meeste gevallen letterlijk achter de feiten aan.


De openbaarheid die wij voorheen via de democratische, klassieke media hebben meegemaakt was gestoeld op een zekere ‘vertoogethiek’. Dat wil zeggen dat men om aan de eisen van objectiviteit en kennis te voldoen, bepaald spelregels in acht nam om tot informatieproductie te komen. In onze tijd, waarin elk individu zijn eigen recht moet kunnen claimen, worden dergelijke spelregels ervaren als een beperking van de individuele vrijheid. Elke mening heeft immers evenveel waarde, juist omdat het een mening is. Het gevolg is dat wij niet langer kunnen spreken van een democratische informatieproductie die er op gericht is om transparante objectiviteit tot stand te brengen, maar dat wij geconfronteerd worden met een mediawoekering die zich heeft losgezongen van de condities om tot ware kennis, of tot een werkelijk beeld van onze manier van leven te komen. Fictie, virtualiteit, fake-news, advertorials (een mix van commerciële beïnvloeding door gefingeerde journalistieke producten), en zelfs ‘wetenschappelijke’ artikelen die in opdracht van commerciële bedrijven worden gepubliceerd, vervuilen als het ware de democratische kennisproductie om tot inzicht over onze werkelijkheid te komen. De mediahypes en mediahysterie die we meemaken en waar de reguliere media natuurlijk met genoegen gebruik van maken omdat dit aandacht en omzetten genereert, zijn een resultante van deze libertijnse, anarchistische vrijheidsopvatting. Het was in 2017 dan ook enigszins bevreemdend dat heel veel mensen zich ineens druk maakten om het zogenaamde ‘fakenews’, omdat de objectiviteit zoals veel studies naar informatie laten zien, al decennia aan het afnemen is ten faveure van de ‘heilige’ meningen - daarmee ook van verzinsels, sferen en emoties: ‘ik voel dat nu eenmaal zo!’.


Zoals de Franse filosoof Jean Baudrillard al in de jaren tachtig schreef, leven we in een ‘hyperrealiteit’ die geproduceerd wordt door de media. Zijn profetische woorden zijn in de tijd van smartphones natuurlijk duidelijk herkenbaar. Want, niet alleen worden onze indrukken van het alledaagse leven gekleurd door het bewustzijn dat wij via de media opdoen; we zijn ook permanent op haast neurotische wijze bezig om dit alledaagse bestaan (de aankoop van een product, of de ervaring met een concert) terug te voeren in diezelfde maalstroom van fictieve en artificiële voorstellingen. Deze hyperrealiteit is niet democratisch. Transparant is ze evenmin. Ofschoon de mediaproducenten ons voorhouden dan onze smartphone er is om ons te dienen in ons allerindividueelste koninkrijk – dat van het ik -, voelen we diep van binnen dat we met onze verslaving aan (sociale) media voor elkaar tot een soort van attractie geworden zijn in de kermis van de belevingseconomie. Het idee van vrijheid door meningen heeft dan ook bijstelling nodig. Vrijheid kan, zo weten we van de denkers die aan de basis stonden van democratie en vrijheid, alleen tot stand komen door kennis over de feitelijke stand van zaken in onze werkelijkheid. Meningenhysterie en mediahypes versluieren onze toegang tot de actuele maatschappelijke realiteit waardoor we als burgers geen accuraat beeld krijgen over de wereld waar wij in leven.


In twintigste -eeuwse dictaturen zoals die van Stalin en Hitler was taal gevaarlijk omdat kennis en inzichten gebruikt konden worden om de macht te ondermijnen. Vandaar censuur. Wij leven in een tijd waarin je alles kan zeggen, maar waar het er niet meer toe doet wat je zegt omdat dit geen enkele waarde meer vertegenwoordigt. Alles is maar een mening, is evenveel waard en daardoor waardeloos. De geestelijke milieuvervuiling die in de openbaarheid aan de orde is lijkt ons de mogelijkheid te ontnemen om nog iets tegen onze bestaande werkelijkheid in te brengen. Zo gebeurt het dat een oprechte uiting van menselijke emotie en waardigheid – denk hierbij aan de uitlatingen van Jan Terlouw vorig jaar – vanwege de grote aandacht dat dit in de media krijgt, tot karikaturale proporties wordt uitvergroot, wat voor anderen dan weer de reden is om het vervolgens in een bad van cynisme onder te dompelen. De openbaarheid als open riool.


De haast maniakale wijze waarop wij aan deze carrousel meedoen, verraad onze behoefte tot democratische openheid en transparantie, maar voert ons juist steeds verder weg daarvan. We doen er beter aan om van onze verslaving af te kicken en aan ‘media hygiëne’ te doen, zoals de Franse psycholoog Félix Guattari jaren geleden al voorstelde. Meningen maken onmachtig en zijn als het spreekwoordelijke brood en spelen. Alleen kennis is macht, democratische macht. Laten we ons weer richten op objectieve kennis en informatie om op zoek te gaan naar de uitgangspunten waarmee we de ware democratische, gedeelde, vrijheid weer kunnen herstellen. Het verdient een aanbeveling om hiermee te beginnen op scholen zodat jongeren weer leren wat het onderscheid is tussen opinie en kennis en tussen meningen en waarden. Ook om hen te leren wat democratische vrijheid eigenlijk is en dat dit iets anders is dan het anarchisme dat zich in onze samenleving manifesteert. Want daar, op de scholen, ligt de bakermat om een nieuwe vertoogethiek op te bouwen waarmee wij de democratische vrijheid kunnen bekrachtigen.