Submit to Facebook

De dood van het humanisme en de opstanding van de Nieuwe Mens.

Robin Brouwer

 

Sinds de economische crisis uit 2008 is de aandacht voor een meer kritische kijk op onze westerse manier van leven toegenomen. Terwijl wij voor de crisis nog een onwrikbaar geloof hadden in onze politieke en economische verworvenheden en we meenden dat het met het klimaat, grondstoffen en onze enorme afvalproductie wel goed zou komen, maakte dit geloof plaats voor het stellen van vragen. Vragen die gaan over ons maatschappijsysteem, over economie, democratie, productie, consumptie, informatie-uitwisseling, milieu en de grote afvalberg. Duurzaamheid werd modieus.

Spiritualiteit werd een thema dat zelfs zijn weg vond naar de wereld van de bedrijfstrainingen. Zingevingscursussen kwamen op om te voorzien in een behoefte na te denken over de zin van ons leven. Deze trends leidde ook tot meer aandacht voor organisaties als het Humanistisch Verbond, MVO-Nederland (´maatschappelijk verantwoord ondernemen´) - en in de wereld van de kerken lijken de vrijzinnigen een brug te slaag tussen duurzame atheïsten en sociaal bewogen christenen.
In dit essay wil ik de vraag stellen in wat voor wereld wij eigenlijk leven. Aan de hand van onderzoek uit de politieke- en sociale wetenschappen wil ik nagaan hoe het paradigma van ons tijdsbeeld er feitelijk uitziet om te zien of de hier vermelde trends afdoende zijn om tot een verbetering van onze manier van leven te komen. Cursussen zingeving of spiritualiteit op de werkvloer zijn mooi, maar wat is er werkelijk nodig om tot een andere maatschappelijke inrichting te komen?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden is het nodig om na te gaan hoe ons maatschappijsysteem en onze cultuur sinds de jaren negentig van de vorige eeuw veranderd zijn. Want het is het paradigma van de postmoderne samenleving dat in die jaren is ontstaan, dat bepalend is voor hoe onze maatschappij op dit moment is georganiseerd.

Een voorgeschiedenis. Friedrich Nietzsche en de dood van God
Wanneer de filosoof Friedrich Nietzsche ruim honderd jaar geleden de dood van God aankondigt hebben weinigen door dat deze omineuze woorden ook de dood van de Mens zullen inluiden. Het denken van Nietzsche kunnen we beschouwen als een beeldenstorm waarmee elke vorm van transcendente betekenis (dat is het geloof in Waarheid en grote Idealen) teniet gedaan wordt. Na de tweede wereldoorlog, als zijn denken een bredere populariteit krijgt onder schrijvers, filosofen en kunstenaars, zien we een beweging opkomen die ons ogenschijnlijk moet bevrijden van de laatste restjes autoriteit en gezag. De stroming die zich dan aandient en vooral in Frankrijk postvat, is die van het postmodernisme.

Onder het postmodernisme maken we het einde van de ideologieën en ismen mee. De Franse denker Lyotard komt in 1979 met een boek waarin hij laat zien dat de grote verhalen en idealen ten einde zijn. Het geloof in grote idealen, zoals die van het feminisme, pacifisme, socialisme, humanisme en marxisme, zal in de jaren die komen verdwijnen en plaats maken voor een individueel perspectief. Terwijl feminisme, pacifisme, socialisme, humanisme en marxisme eerder nog hebben gediend om een kritisch perspectief op de voortgang van onze samenleving te bieden – en dus te blijven toetsen of onze manier van leven wel de juiste is -, wordt een dergelijk kritisch perspectief op onze manier van leven na de val van de Berlijnse muur overbodig. Het einde van het communisme geeft ons het idee dat aan elke ideologie een einde is gekomen. En omdat we de kapitalistische marktsamenleving waar we zelf in leven niet langer als een ideologie, maar als vrijheid zien, achten we het niet nodig dat we nog gebruik maken van dergelijke kritische verhalen.

De Meningencultuur
Met het afscheid van ideologie en een gemeenschappelijk ideaal geven we ook het idee van een objectieve of universele waarheid op. Onze samenleving verandert in een meningencultuur. Alles is maar een mening en is, zo menen we, principieel gelijkwaardig. Was de informatievoorziening eerder ingesteld op het bieden van kennis en ging ze uit van een idee van objectiviteit en waarheid, onder de meningencultuur komt het accent te liggen op subjectieve opinies en ervaringen. Het ‘dat voel ik nu eenmaal zo’ wordt een legitieme manier om een ander inzicht of opvatting naast zich neer te leggen. De columns komen op. Trendy acteurs wordt gevraagd hun mening te geven over het functioneren van de overheid, terwijl politici gevraagd wordt om hun visie te geven op bijvoorbeeld culinaire ontwikkelingen. Elke mening telt en is evenveel waard – of men nu Willem Holleeder of Herman Wijffels heet. Dit afscheid nemen van het idee van ideologie en universele waarheid brengt ons niet alleen een nihilistische infotainmentcultuur, het leidt ook tot het afscheid van de moraliteit. Terwijl in de wereld van het bankieren en op de Nederlandse Nyenrode Business Universiteit al jaren aan bedrijfsethiek wordt gedaan – dat is het nadenken over hoe we ons zouden moeten gedragen in het zaken doen -, wordt moraliteit, dat is het in de praktijk brengen van die ethiek, taboe. De bankencrisis die in 2008 uitbreekt, laat zien waar dit toe leidt. De graaicultuur is een direct gevolg van dit afscheid van de moraliteit. Pedagogiek, het verheffen van de burger in morele zin, behoort definitief tot het verleden. Het ‘anything goes’, dat door het postmodernisme wordt gepredikt, vertaalt zich naar hedendaagse uitingen van morele zelfbepaling zoals: ‘Vreemdgaan? Moet kunnen, toch?!’ In alle maatschappelijke sectoren is inmiddels duidelijk geworden waar het ontbreken van een ‘moreel kader’ toe leidt. De afgelopen jaren hebben we in reactie op het morele verval een ware hausse van Governance Codes zien opkomen. Deze codificering van de samenleving – dat wil zeggen het door het opstellen van regels proberen om gedrag weer in ordentelijke banen te leiden – moeten we zien als een hulpeloze poging bij te sturen. Hulpeloos, omdat de burger door de toename aan regels steeds meer weerzin krijgt om zich nog ergens iets van aan te trekken. Wet en regelgeving nemen steeds meer toe. De geschatte kosten van dit afscheid van het moreel kader zijn enorm.

Het dierlijke humanisme
Wanneer de Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas in 2013 op 84 jarige leeftijd in het paleis op de Dam de Erasmusprijs ontvangt, waarschuwt hij in zijn lezing voor het fundamentalisme van de wetenschappen, waarbij hij zich voornamelijk richt op de neurowetenschappen. Habermas laat zien dat de dominantie van deze wetenschappen een bedreiging vormt voor de democratische rechtsorde en voor het humanisme dat de democratie heeft gemotiveerd en gefundeerd. Hij laat zien dat er met de opkomst van deze wetenschappen een verandering heeft plaats gevonden van hoe wij de mens beschouwen. Niet langer zien we de mens als een met rationaliteit en kennis begaafd wezen die in ethische zin met deze kennis tot waarheid en daarmee tot deugden en moraliteit kan komen. De neurowetenschappen beschouwen de mens voornamelijk als een ´lichaam´. Denk aan publicaties als het recente boek: ´Wij zijn ons brein´. Liefde is vanuit dit perspectief niet een gezindheid die we kunnen vormen, maar een stofje in ons lichaam. De een heeft daar wat meer van dan de ander. Menselijk gedrag – en dat geldt ook voor verdraagzaamheid en vergevingsgezindheid – zien we steeds meer als verbonden aan onze hormoonhuishouding of het DNA. In de psychologie weten ze maar al te goed waar deze verandering toe geleid heeft. We spreken dan ook niet langer over de menselijke ´ziel´ of de ´geest´ en doen steeds minder aan gesprekstherapieën, want we zijn de mens gaan medicaliseren. Spuiten en slikken zijn een gangbare praktijk geworden. Ook lezen we steeds vaker dat de vrije wil niet bestaat. Er is, aldus Habermas, daarmee een nieuw soort determinisme aan het opkomen. Waar we honderden jaren gelezen meenden dat het leven door God of de duivel bestierd werd, nemen we tegenwoordig aan dat de mens geregeerd wordt door de natuur. Dit afstand nemen van het geloof in de ziel, de geest en de rationele vermogens van de mens, heeft ons van onze humane troon gestoten. Het leven is, zo denken wij tegenwoordig, niet langer maakbaar omdat de wereld voor ons bepaald wordt. Het idee van het rentmeesterschap - de mens als behoeder van de schepping, ook zo´n humanistisch principe – werd dan ook losgelaten. We zijn als mens niet langer een spil in de schepping, maar eerder een dierlijke soort zoals varkens en mieren. Een deerniswekkend dier.

Het einde van het humanisme en daarmee van het geloof in rentmeesterschap, rationaliteit, kennis, waarheid en in de humane geestkracht van de mens, is een tragische ontwikkeling. Het einde van het geloof in de vrije wil en daarmee in de maakbaarheid van onze maatschappelijke werkelijkheid, is tevens de nagel aan de doodskist van de democratische rechtsorde. Een collega van Habermas, Wolfgang Streeck, waarschuwt ons dat er al wetenschappers zijn die topmensen uit het bedrijfsleven uitleggen dat de democratie zijn laatste tijd gehad heeft. De Amerikaanse ethicus Michael Sandel gaat nog een stapje verder en laat zien dat veel westerse mogendheden al een oligarchie geworden zijn. Want, door de opkomst van internationale bedrijven die een macht bezitten waar menige staat niet meer tegen op gewassen is, is er een nieuwe adel opgestaan die de lakens uitdeelt: de aandeelhouder. Het postmodernisme is dan ook geen liberale, democratische of humanistische stroming, zoals onderzoek laat zien. Ze is gestoeld op een libertijns en daarmee anarchistisch hyperindividualisme dat zich verzet tegen elke vorm van gemeenschappelijkheid of collectiviteit. Dit einde van het geloof in de democratie, in het gemeenschappelijke, is de reden dat we zien dat mensen in relaties, gezinnen en op de werkvloer steeds meer voor zichzelf kiezen ten koste van de ander of het gemeenschappelijke. De verruwing in het verkeer, de vele vechtscheidingen en de toename van de rechtsgang in de privaatrechtelijke sfeer zijn enkele voorbeelden van deze tendens. Dit verklaart ook dat racisme en antisemitisme weer zijn opgekomen.

De waardeloosheid der dingen
Wanneer we dit overzien wordt duidelijk dat Nietzsches beeldenstorm velen heeft geïnspireerd om de fundamenten onder onze democratische rechtsorde en beschaving weg te slaan. ‘De rechten van de mens’ en ‘de democratie’ waar wereldleiders de mond vol van hebben, zijn inmiddels loze woorden. Want zelfs in ons land zijn we afhankelijk van de kinderarbeid en uitbuiting die we buiten ons eigen rechtssysteem faciliteren. Toen ik vorig jaar een voordracht voor het Humanistisch Verbond mocht houden was ik aanvankelijk verbaasd dat ik weinig kritiek van de zaal te verduren had. Men is, zo lieten mensen van de organisatie weten, al doordrongen van het transcendentieverlies (het verlies van geloof in waarheden en idealen) in de eigen gelederen. Humanisme is per slot van rekening ook maar een mening of hobby.
In het bedrijfsleven, bij overheden en in de media wordt de laatste tijd veel gesproken over maatschappelijk verantwoord ondernemen, duurzaamheid of burgerparticipatie. Ook wordt er veel gedaan aan goede doelen en bouwen we schooltjes in de Derde Wereld. Toch ontbreekt het bij al deze intenties aan een fundament en dienen ze er voornamelijk toe om ons een goed gevoel te geven over onze wereld. Een wereld waarin wij niet langer een Gidsland zijn, waarin wij niet langer menen dat wij die wereld bouwen. We zeggen dan, om ons zelf vrij te pleiten, dat de wereld te complex is en dat we in een geglobaliseerde wereld leven en bevestigen met deze excuusjes onze eigen onwil en onvermogen. En omdat alles, dat wil zeggen ook zelfverrijking, racisme en vreemdgaan, meningen zijn en er geen waarheid meer is om hier onderscheidingen te zien, heeft niemand schuld aan de wereld die wij voortbrengen.

Wanneer Wim Kok in de jaren negentig uitroept dat zijn partij, de PVDA, zich van haar ideologische veren ontdoet, geldt dat voor alle politieke partijen in de westerse wereld, maar ook voor het humanisme, feminisme en pacifisme. En zonder een ideologische basis, zonder geloof in een supra individuele waarheid, is er niets meer over dan wat taal, goede intenties en meninkjes.
Wanneer alles maar een mening is, wanneer alles aan elkaar gelijk is, is alles waar en daarmee waardeloos. Er is geen onderscheidend principe meer. We eten soep waar drollen in drijven en noemen dit consumptievrijheid. Het onvermogen om op kort termijn te komen tot een duurzame samenleving op het terrein van ecologie, consumptie, productie en samenleven, ligt niet zozeer in de onwil van grote bedrijven, maar in het feit dat duurzaamheid ook maar een mening, een vrije individuele keuze is. Wil er wat veranderen dan zullen wij weer moeten komen tot waarheden, tot universele waarden en tot een geloof in het individu-overstijgende belang daarvan. En dit gaan we niet redden met ‘een stukje zingeving’, een cursus over individuele spiritualiteit, afvalscheiding, of ethiek voor managers.

 

Hoezo negativisme?
Wanneer de wereldvermaarde filosoof Slavoj Zizek in mei van dit jaar in Amsterdam enkele duizenden studenten toespreekt, laat hij zien dat de ideologie van onze tijd eruit bestaat dat wij menen dat er geen ideologie of dogma´s meer bestaan. In een wereld waarin waarheid, het hebben van principes en grote idealen taboe zijn, moeten we de gedachte dat alles maar een mening is beschouwen als het nieuwe dogma. Veranderen van dit paradigma, van deze realiteit, doen we zo ging hij verder, niet met een stukje duurzaamheid, met charitas en goede doelen. In dit licht bezien is het wegschenken van miljoenen dollars aan goede doelen door de miljardair Bill Gates niet een uiting van het willen veranderen van ons systeem, maar houdt dit het systeem juist in stand en is daar op gericht. Zizek, die in zijn lezing uitvoerig inging op de Bijbel, stelt dat alleen de daadwerkelijke naastenliefde, de ´Agape´, een uiting is van de wezensverandering die wij nodig hebben.
Zoals we in de Bergrede kunnen lezen gaat het daarin niet om een stukje zingeving of charitas, maar om het komen tot een opstanding van de mens. Het verhaal dat Jezus ons biedt over onze realiteit, is dan ook niet cynisch of negatief, maar voert ons tot de werkelijkheid van ons bestaan, van onze wereld. Bovendien laat het ons zien hoe we hier iets tegenover kunnen stellen, hoe we vrij kunnen worden door aan onze opdracht te voldoen.

 

De Nieuwe Mens
Aan het eind van deze begrafenisrede over het humanisme wil ik komen met een constructief slotakkoord, een aanzet tot een Nieuwe Mens.
Om tot een opstanding te komen in je mens-zijn en dus afstand te nemen van de postmoderne mentaliteit die in ons woont, moeten we anders leren gaan denken. Een 19e -eeuwse humanist formuleerde dit als volgt: ‘de mens moet komen tot een revolte tegen zijn sociale ik, vanuit zijn mens-zijn’. Dit opstaan, zo’n revolte tegen het sociale ik, dat kunnen wij! Maar, dan moeten we ons eerst ontdoen van onze aangeleerde allergie voor waarheid, moraliteit en grote Idealen – de postmoderne en neoliberale ´sociale ik´ die thans in ons regeert.
Laten we doordrongen raken van het feit dat: naastenliefde, verdraagzaamheid, vergevingsgezindheid, de rechten van het kind, de trouw (ook in relaties), de rechten van elk mens op een gelijkwaardig vruchtgebruik van de planeet en een zorgvuldig beheer van onze planeet – om maar wat te noemen – geen meningen zijn! Het zijn individu-overtijgende waarheden! Waarheden die wij elkaar weer moeten gaan aanleren (en waarvoor we leraren nodig hebben), gedrag dat we weer zullen moeten gaan vormen (opvoeding, onderwijs), en kennis die wij moeten gaan verwerven ten koste van de oppervlakkige meninkjes. Ethiek moet weer moraliteit worden. Dat alles moet, willen we ons los maken van de schijnvrijheid die wij momenteel ervaren.
Lieden als Gandhi, Jezus, Mandela en Martin Luther King gingen ons hierin voor. Van hun leven en werk kunnen wij leren hoe wij dit moeten gaan doen. Gandhi liet zien dat dit ook een ‘nee zeggen’ veronderstelt: een nee tegen mentaliteiten en gedrag waarin hij zijn vijanden zag – niet in mensen, maar in wat mensen kunnen voortbrengen. Gandhi was dan ook geen postmoderne relativist of posthumanist. Hij streed voor een universeel ideaal, een Waarheid. Ik moet hierbij ook denken aan de apostolische voorman Van Oosbree die in de eerste helft van de 20e eeuw zogenaamde ´Levensregelen´ opstelde. Regels en principes die nodig zijn om op te staan om tot een hogere vorm van mens-zijn te komen. Dat zijn geen vrijblijvende meningen en is iets anders dan een ‘stukje zingeving’, spiritualiteit of duurzaamheid.
Er zijn vele wegen die naar Rome leiden, maar naar een humane en rechtvaardige wereld leidt, zo weten we maar al te goed, maar één weg. Deze opstanding is die weg. Gaat u mee?